China

Geschiedenis

China Chinezen zijn erg trots op hun land vanwege de lange en rijke geschiedenis. Als je Chinezen beter wil begrijpen, of de Chinese literatuur, kunst enz., dan is het essentieel om iets van de geschiedenis van China te weten.

De geschiedenis van de Chinezen gaat geen eeuwen maar millennia terug. Zo’n 6000 jaar geleden werd China bevolkt door volkeren die landbouw bedreven en vee hielden. Zij behoorden tot de zogeheten Yang Shao- en Lung Shan-culturen. Uit deze laatste cultuur ontstonden rond 2200 v.Chr. de koninkrijken van de Shang- en Yin-vorsten. Al in deze tijd ontstond ook het Chinese schrift. De Shang-Yin werden in de 11de eeuw v.Chr. verslagen door de Zhou-vorsten, die afkomstig waren uit het gebied rond de stad Xian. De filosofieën van het taoïsme en het confucianisme kregen in deze tijd grote aanhang

Van het einde van de 5de eeuw v.Chr. tot halverwege de 3de eeuw v.Chr. was er voortdurend strijd tussen diverse vorstendommen. Die strijd werd uiteindelijk gewonnen door de Qin (Ch’in, hiervan is de naam China afgeleid). Hun jonge leider Qin Shihuangdi riep zichzelf in 221 v.Chr. uit tot de eerste keizer van China. Hij regeerde tot zijn dood in 210 v.Chr., maar hij wist in die korte tijd de Chinezen om te vormen tot één volk met een centraal gezag, één schrift en gestandaardiseerde maten en gewichten. Ook begon hij de bouw van de Chinese Muur om zich te beschermen tegen aanvallen van "barbaren" uit het noorden. Na de dood van de eerste keizer ontbrandde er een machtsstrijd, waaruit de boerenleider Liu Bang als overwinnaar tevoorschijn kwam. Hij stichtte de Han-dynastie die een groot stempel zou drukken op China. Het land kwam tot grote bloei en de huidige Chinezen beschouwen zich als afstammelingen van dat Rijk. Om zich te onderscheiden van de andere volken in China noemen ze zich Han-Chinezen. Er werden grote uitvindingen gedaan, zoals het gebruik van papier en inkt. De staat werd geregeerd op basis van het confucianisme: een dienaar moet zijn meester dienen, maar de belangen van de onderdanen moeten wel geëerbiedigd worden. Vanuit India deed het boeddhisme zijn intrede.

Het Han-Rijk viel uit elkaar doordat de zuidelijke regio’s zich economisch ontwikkelden en zich machtig genoeg voelden om opstanden te organiseren. Pas in 618 n.Chr. werd China weer verenigd onder de Tang-dynastie. Die dynastie breidde het grondgebied uit, onder meer met het Koreaanse schiereiland. De Tang werden opgevolgd door de Song-dynastie, die overigens vooral in het zuiden van China de macht in handen had. Onder de Song-keizers werd een revolutionair nieuw systeem ingevoerd: papiergeld. De Song-dynastie werd bedreigd door "barbaarse" invallen vanuit het noorden: eerst de Jin-Tartaren, gevolgd door de Mongolen. Deze laatste wisten onder de legendarische leiding van Dzjengis Khan heel China te veroveren. Tijdens het bewind van zijn kleinzoon – Koebilai Khan – waren er veelvuldige buitenlandse contacten. De bekendste Westerse bezoeker was de koopman Marco Polo uit Venetië, in 1271.

De Mongolen konden maar moeizaam invloed uitoefenen op de Chinezen in het zuiden en daar ontstond dan ook het verzet tegen hun overheersing. De leider van de Ming-dynastie, Zhu Yuanzhang, wist de Mongolen in 1368 te verdrijven. Onder deze dynastie ontwikkelde China zich als zeevarende natie. Chinese konvooien voeren naar de Arabische wereld en de kusten van Oost-Afrika. Maar nog voor de komst van de Portugezen – halverwege de 16de eeuw – moesten de Chinezen hun zeeavonturen al weer opgeven. Het land was ernstig verzwakt door burgeroorlogen en nieuwe invallen van de Mongolen. Ten noordoosten van China was inmiddels het Mantsjoe-Rijk ontstaan. Deze Mantsjoes trokken China binnen en stichtten de Qing-dynastie. Aanvankelijk bracht dit rust in China, maar vanaf 1860 kreeg de Qing-dynastie te maken met opstanden tegen de keizerlijke macht en tegen de groeiende invloed van buitenlanders. De belangrijkste was de "Opstand van de Hemelse Vrede" die bijna 20 jaar duurde.

In de laatste helft van de 19de eeuw werd China bestuurd door de keizerinweduwe Ci Xi. Zij was fel gekant tegen hervormingen en liet haar zoon Kuang Hsu zelfs gevangen nemen, omdat hij zich bij de hervormingsgezinde aansloot. De buitenlanders hadden inmiddels wel veel aan invloed gewonnen en de zogeheten Bokseropstand van 1900-1901 werd dan ook neergeslagen door een gezamenlijke strijdmacht van Britten, Fransen, Amerikanen, Russen en Japanners. De macht van China was intussen zover afgenomen dat Japan en Rusland aan het begin van de 19de eeuw strijd konden voeren om Mantsjoerije in het noordoosten. Na een aantal opstanden kwam er onder leiding van Sun Yat-sen een einde aan het keizerrijk China. Op 1 januari 1912 riep hij de Republiek China uit. Sun Yat-sen wilde van het land een democratische staat op Westerse leest maken, maar hij werd gedwarsboomd door de aanvoerder van het keizerlijke leger, Yuan Shikai, die de eerste president werd. Na het overlijden van Yuan brak er in China een periode van anarchie aan, waarin diverse krijgsheren verschillende delen van China onder controle hadden. In het zuiden was Sun Yat-sen nog oppermachtig.

Onder invloed van de communistische machtsovername in Rusland werd in 1921 de Chinese Communistische Partij opgericht, die zich twee jaar later aansloot bij de Nationalistische Partij (of Kwomintang) van Sun Yat-sen en zijn naaste medewerker Chiang Kai-shek. Na de dood van Sun Yat-sen in 1925 voerde Chiang Kai-shek een rechtse koers. Hij installeerde een nationalistische regering in Nanjing (ten westen van Sjanghai) en verbood de Communistische Partij. De communisten vluchtten naar het westen en trokken tijdens een zeer koude winter door de gebergten van Midden-China naar het noorden. Deze tocht onder leiding van Mao Zedong en Zhou Enlai zou bekend worden als "De Lange Mars". Intussen breidde Japan zijn grondgebied uit en veroverde grote delen van China. In Japan hadden de communisten en nationalisten een gezamenlijke vijand. Nog belangrijker voor de groei van de Communistische Partij in China was, dat de Japanners met name de boerenbevolking met grove middelen onderdrukten. Daarop besloten veel boeren zich bij het (communistische) Volksbevrijdingsleger aan te sluiten.

Nadat Japan was verslagen kwamen de oude tegenstellingen tussen nationalisten en communisten weer naar boven. De burgeroorlog herleefde en in de herfst van 1949 waren de nationalisten vrijwel verslagen. Wat er nog over was van het Kwomintang-leger vluchtte naar het eiland Taiwan en stelde daar een nationalistische regering in. De communisten riepen op 1 oktober 1949 de Volksrepubliek China uit.

Geografie

Chinese muur China is een immens land dat een groot deel van Oost-Azië beslaat. Het is 9,6 miljoen km² groot, dat is 240x Nederland. Het is het op twee na grootste land ter wereld (na Rusland en Canada). Van noord naar zuid strekt het land zich uit over 4000 km, van oost naar west over bijna 5000 km. China heeft ruim 22.000 kilometer aan landgrenzen. In het noordoosten grenst het aan Noord-Korea en Rusland. Ten noorden van China ligt Mongolië. In het noordwesten grenst het opnieuw voor een klein stukje (40 km) aan Rusland en verder aan Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan. In het uiterste westen grenst China aan Afghanistan en Pakistan. In het zuiden zijn er grenzen met achtereenvolgens India, Nepal, Bhutan, Myanmar, Laos en Vietnam. De oostkust is 14.500 km lang. De baai tussen het Chinese vasteland en het Koreaanse schiereiland heet Gele Zee, in het zuidoosten grenst het land aan de Zuid-Chinese Zee. Deze zeeën zijn een onderdeel van de Grote Oceaan.

Voor de kust liggen duizenden eilanden; de meeste zijn onbewoond. Eén eiland voor de kust zorgt al decennia lang voor politieke onenigheid: Taiwan. Volgens de Chinese regering in Peking hoort Taiwan bij China, maar de Taiwanezen houden vast aan hun onafhankelijkheid en hun kapitalistische systeem (zie verder bij Moderne politiek). In het zuidwesten ligt een grote hoogvlakte die zo’n 20% van China uitmaakt. Deze vlakte van gemiddeld meer dan 4000 meter hoog wordt omsloten door bergen: het Kunlun- en het Altun-gebergte in het noorden, en de Himalaya in het zuiden. Op de grens met Nepal ligt de hoogste berg ter wereld, de Mount Everest (8848 m). China heeft ruim honderd bergtoppen van meer dan 7000 meter hoog en ruim duizend van 6000 meter of meer. Op de hoogvlakte en in de Himalaya ontspringen enkele van de belangrijkste Aziatische rivieren, zoals de Ganges, de Brahmaputra, de Jangtsekiang (Blauwe Rivier, ook wel: Yangtze), de Huang He (Gele Rivier), de Salween en de Mekong.

Het noordwesten van China bestaat ook uit hoogvlaktes, maar daar varieert de hoogte van 1000 tot 2000 meter. Deze vlaktes worden onderbroken door het Tien Shan-gebergte dat scherpe tegenstellingen kent. In het westen reiken de toppen tot boven 7000 meter; in het oosten bij de stad Turpan ligt een diepe scheur in de aardkorst waar het laagste punt van China ligt (154 m onder zeeniveau). Naar het oosten toe gaan de hoogvlaktes over in de Gobiwoestijn, die zich uitstrekt tot vlak bij de Chinese hoofdstad Peking. Peking ligt in een laagvlakte, de uitgestrekte delta van de grote rivieren Jangtsekiang en Huang He. Het is het vruchtbaarste en dichtstbevolkte deel van China met uitgestrekte landbouwgebieden, maar ook vele miljoenensteden. Ook het uiterste noordoosten van China is een laagvlakte, die vroeger de Vlakte van Mantsjoerije werd genoemd.

Centraal in het land ligt het Qinling-gebergte dat niet zo hoog is, maar een uiterst belangrijke rol speelt. Het vormt niet alleen de scheiding tussen de stroomgebieden van de Jangtsekiang en de Huang He, maar ook tussen verschillende klimaatzones: een noordelijk, koel China en een zuidelijk, warmer deel van het land. Dat zuidelijke deel bestaat ook uit heuvels en lage bergen die naar het westen steeds hoger worden. De zuidoostkust van China bestaat uit grillige rotsen. Die zogeheten gelede kust begint al even ten zuiden van Sjanghai en loopt over honderden kilometers door tot de grens met Vietnam. Hainan Dao is een groot Chinees eiland dat in het uiterste zuiden voor de kust ligt, ten oosten van Vietnam.

Volk en cultuur

Om die bevolkingsexplosie het hoofd te bieden, voert China al sinds de jaren '60 de zogeheten één-kind-politiek. Dat betekent dat elk ouderpaar niet meer dan een kind mag hebben. Niet iedereen houdt zich daaraan. Vooral op het platteland willen boeren in ieder geval een zoon om te kunnen helpen bij het werk op de boerderij. Meisjes worden vlak na de geboorte soms gedood. In China worden volgens de officiële aangiften dan ook opvallend meer jongens geboren dan meisjes (119 tegenover 100, cijfers 2006).

China De grote meerderheid van de bevolking (ongeveer 95%) bestaat uit Han-Chinezen. Vanuit Noord- en Oost-China verspreidden ze zich over het hele land. Daarnaast zijn er 55 erkende minderheden. Die leven vaak nog in hun eigen woongebieden, zoals de Oeigoeren in Xinjiang Uygur (West-China), de Tibetanen in Tibet, de Zhuang in Guangxi Zhuang (Zuid-China), de Mongolen in Binnen-Mongolië en de Hui in Ningxia Hui (beide in Noord-China). Alle bovengenoemde traditionele woongebieden hebben een (beperkte) vorm van zelfstandigheid. Toch hebben de Chinezen er alles aan gedaan om de volkeren aan zich te onderwerpen. Zo probeerde de regering met gedwongen migraties het aantal Han-Chinezen in die gebieden in de meerderheid te brengen. Dat leidde geregeld tot conflicten, omdat de Han-Chinezen de beste baantjes kregen.

De etnische minderheden werden ook vervolgd. Vooral de boeddhistische Tibetanen en de islamitische Oeigoeren, Kazachen en Hui hebben daaronder te lijden gehad. Sinds de dood van Mao is de houding tegenover de minderheden versoepeld. Zo werd onder meer de vrijheid van godsdienst hersteld. Het Chinees is in de gesproken vorm geen eenheidstaal. In het noorden wordt Mandarijn gesproken. Dat is de officiële taal van China, maar in het zuiden spreekt men Kantonees, Wu, Hakka en vele dialecten. De talen wijken zo ver van elkaar af dat mensen uit verschillende delen van China elkaar maar moeilijk of helemaal niet kunnen verstaan. De Chinese karakters zijn hetzelfde, maar de uitspraak verschilt enorm. Daardoor kunnen Chinezen elkaar wel begrijpen als ze opschrijven wat ze willen zeggen.

Het oorspronkelijke Chinese schrift telt maar liefst 50.000 karakters. In de jaren '50 werd een vereenvoudigd Chinees ingevoerd, dat nog "maar" 12.000 karakters had. De gemiddelde Chinees kent er 4000, voor een universitaire opleiding is de kennis van minimaal 6000 karakters nodig. De Chinese beschaving is al heel oud en heeft de wereld verrijkt met diverse uitvindingen. Al in de 3de eeuw v.Chr. gebruikten Chinezen een kompas. Ook al voor het begin van onze jaartelling maakten de Chinezen papier. In de 7de eeuw vonden ze een methode uit om op dat papier afdrukken te maken. Ook het maken van zijde uit de cocons van rupsen, de paraplu en de vlieger zijn Chinese vindingen.

Hoewel de communistische machthebbers er veel aan hebben gedaan om het confucianisme uit te bannen, zijn de denkbeelden van de wijsgeer Confucius (Kung Fu Tse) nog springlevend. Confucius leefde van 551 tot 497 v.Chr. Hij onderwees dat de rol van het individu altijd ondergeschikt is aan een groter geheel. De samenleving kan alleen bloeien als de juiste verhoudingen worden gehandhaafd, zoals tussen vorst en onderdanen, vader en zoon, man en vrouw, oudere en jongere. Daarbij moet de "hogere" wel oprecht en rechtvaardig zijn ten opzichte van de "lagere". Ten tijde van het Chinese Keizerrijk was bestudering van de leer van Confucius verplichte kost.

Theecultuur

Thee is de nationale drank van China. Het land heeft een ware theecultuur voortgebracht: er zijn in China vele soorten, ondersoorten en rassen thee. Die soort wordt (net als bij wijn) bepaald door de plant zelf, maar ook door de geografische ligging, de bodemgesteldheid en het klimaat. De ceremonie die hoort bij het theedrinken, verschilt van soort tot soort.

Eetstokjes

In China worden jaarlijks maar liefst tachtig miljard eetstokjes geproduceerd om te kunnen voorzien in de structureel groeiende vraag naar dit Aziatische bestek. Omdat een groot deel wordt gemaakt van hout, betekent dit een behoorlijke aanslag op de Chinese bossen. Het eten met eetstokjes kan gerekend worden tot één van de vroegste Chinese tradities.

Volgens de Chinese overlevering werd zo’n 5000 jaar geleden al gebruik gemaakt  van ‘eetstokjes’ in het oude China. Vanaf het moment dat voedsel als vlees en vis met behulp van vuur werd gegaard, fungeerden takjes van bomen en struiken als primitieve hulpmiddelen waarmee het eten uit het hete vuur kon worden geplukt. Van daadwerkelijk bestek was in eerste instantie nog geen sprake.

Toch werden de takjes later geleidelijk vervangen door specifieke eetstokjes, vermoedelijk vanaf het laat-Neolithicum (3000-2000 v.Chr). Door toename van de bevolking in die periode nam de voedsel- en energieschaarste toe en werd het eten in kleinere proporties bereid. Zo konden niet alleen meer monden worden gevoed, maar kon het eten ook sneller worden bereid. Stokjes waren geschikt voor het consumeren van de kleinere hoeveelheden.

In Chinese geschriften zoals de Liji, het ‘Boek van de Riten’, staat opgetekend dat eetstokjes werden gebruikt ten tijde van de Shang-dynastie (1750-1040 v.Chr). Het vroegste tastbare bewijs werd aangetroffen in de ruïnes van Yin nabij Anyang, Henan, stammend uit ongeveer de 10de eeuw voor Christus. Oorspronkelijk waren de eetstokjes voornamelijk van hout of bamboe gemaakt, maar ook materialen zoals jade, ivoor of been kwamen in aanmerking om tot eetstokje te worden omgevormd. Tijdens de Zhou-dynastie (10de eeuw-256 v.Chr) werden tijdelijk bronzen eetstokjes ingevoerd.

In de eerste eeuwen n.Chr was het gebruik van eetstokjes wijdverspreid in China. Langzaam maar zeker waaide deze eetgewoonte ook over naar andere Aziatische landen, zoals Japan, Korea en Vietnam. Gedurende de Tang-dynastie (618-907 n.Chr) waren gouden en zilveren eetstokjes tijdelijk populair. Zilveren eetstokjes hadden bovendien een bijkomend voordeel, want volgens angstvallige Chinezen sloegen deze zwart uit als het voedsel vergiftigd was.

Vandaag de dag bestaan er veel kunstzinnige en fraai versierde eetstokjes, maar gebruiken Chinezen ook massaal wegwerpeetstokjes. Daarmee wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de ontbossing. Bo Guangxin, voorzitter van de Jilin Forestry Industry Group, is daarom van mening dat Chinese consumptiegewoonten aangepast moeten worden, zodat eetstokjes niet al na eenmalig gebruik in de afvalbak verdwijnen.

Moderne politiek

Na hun overwinning op de Kwomintang begonnen de communisten, onder leiding van voorzitter Mao, meteen met hun hervormingen. Het land van grootgrondbezitters werd onder kleine boeren verdeeld en bedrijven werden genationaliseerd. Al kort na het uitroepen van de Volksrepubliek kwamen de Chinese communisten tegenover de Westerse landen te staan. De Chinezen steunden (communistisch) Noord-Korea in de oorlog tegen Zuid-Korea (1950-1953). De verhoudingen met het Westen werden er niet beter op toen China Tibet annexeerde en in de jaren '50 een opstand daar bloedig neersloeg.

Door de hervormingen en de militaire successen op het Koreaanse schiereiland konden de communisten aanvankelijk rekenen op brede steun onder de bevolking. In 1956 dacht Mao zelfs dat het prestige van de Communistische Partij groot genoeg was om het volk de kans te bieden kritiek uit te oefenen. Tot verrassing van de leiders kwam er een stroom van kritiek los, vooral op de bevoorrechting van partijleden. Toen de kritiek steeds grotere vormen aannam, besloot Mao in te grijpen. De voorstanders van de harde lijn kregen de vrije hand om critici aan te pakken. Vele Chinezen werden in werkkampen opgesloten en kinderen werden van hun ouders gescheiden om hun "verderfelijke invloed" tegen te gaan.

Vervolgens kondigde Mao "De Grote Sprong Voorwaarts" aan. Met de opbrengsten van de landbouw zou China in korte tijd een industrie opbouwen. Het programma mislukte grandioos, door desorganisatie en tegenslagen als misoogsten en overstromingen. Het land kreeg te maken met een hongersnood die waarschijnlijk aan miljoenen Chinezen het leven heeft gekost. Met dit programma brak China met het Sovjetsysteem van economische ontwikkeling. Daarnaast moest Peking steeds meer afbetalen van de leningen die de Sovjet-Unie had verstrekt, streden de landen om invloed in de Derde Wereld en vond Peking dat de Sovjet-Unie te toegeeflijk was tegenover de VS. Bovendien stelden de Chinese communisten de Chinees-Russische grenzen ter discussie, omdat die waren vastgesteld in de "verderfelijke" tsaristische tijd. In 1966 verbraken de twee landen officieel hun betrekkingen.

In de jaren '60 voerde Mao grote zuiveringen door in de Communistische Partij. Lin Bao werd minister van Defensie. Hij was de architect van de persoonsverering van Mao als "De Grote Roerganger". Hij gaf een boekje uit met citaten van Mao, het roemruchte Rode Boekje. Bestudering ervan was verplicht voor iedereen. Lin Bao bereidde ook plannen voor die in 1966 zouden leiden tot de Culturele Revolutie. Jongeren werden georganiseerd in Rode Gardes en aangemoedigd hun leraren en professoren aan te klagen wegens "afwijkingen van de leer van Mao". De Rode Gardisten werden echter steeds fanatieker. Duizenden mensen werden opgesloten en zonder vorm van proces vermoord. Tienduizenden anderen werden ontslagen en verbannen naar de provincies om te worden "heropgevoed". Uiteindelijk kwamen delen van de Chinese bevolking in verzet tegen deze terreur en het had weinig gescheeld of er was een burgeroorlog uitgebroken in China. De totale mislukking van de Culturele Revolutie leidde tot verwijdering tussen Mao en Lin Bao. Deze laatste zou zelfs plannen hebben gehad Mao af te zetten. Toen zijn complot in 1971 werd ontdekt, vluchtte Lin Bao met zijn familie, maar zijn vliegtuig werd boven Mongolië neergeschoten.

Een jaar later kreeg de toenadering tot de VS gestalte. Voor het eerst bezocht een Amerikaanse president – Richard Nixon – de Volksrepubliek China. De gematigde premier Zhou Enlai wilde graag meer contact met het Westen en hij verleende de eveneens gematigde Deng Xiaoping eerherstel. Deng Xiaoping was tijdens de Culturele Revolutie aan de kant gezet, maar Zhou Enlai maakte hem weer vice-premier. Dat was tegen het zere been van Mao’s vrouw Jiang Qing en haar medestanders. Zij probeerden de vernieuwingen te stuiten, maar de dood van Mao op 9 september 1976 haalde een streep door de rekening. De volgende maand werden Jiang Qing en drie anderen gearresteerd. Ze werden als de Bende van Vier verantwoordelijk gesteld voor de uitwassen tijdens de Culturele Revolutie.

Deng Xiaoping had nu de handen vrij. In 1978 zette de Chinese Communistische Partij een nieuwe koers uit. Het land werd opengesteld voor Westerse investeringen en er werd een verjonging in het partijapparaat en de legertop in gang gezet. In deze tijd verschenen overal in China muurkranten, waarin werd aangedrongen op verdere liberalisering en het vrijlaten van politieke gevangenen. Dat ging Deng te ver en hij verbood de muurkranten, maar de geest was uit de fles. Geleidelijk ontstond met name onder studenten een beweging die niet slechts om meer vrijheden vroeg, maar ze eiste. De hervormingsgezinde partijvoorzitter Hu Yaobang werd verweten niet hard genoeg op te treden tegen de studenten. Hij werd in 1987 van zijn post ontheven.

Na zijn overlijden in april 1989 bezetten studenten het Plein van de Hemelse Vrede (Tiananmen-plein) in Peking. Na een maand van demonstraties werd het plein op 4 juni 1989 met geweld ontruimd. Daarbij kwamen honderden studenten om het leven; de leiders van de opstand kregen zware straffen opgelegd. In de jaren daarna werden ook protesten in buitengebieden als Tibet en Xinjiang met harde hand onderdrukt. Tegelijkertijd werden er vergaande economische liberaliseringen doorgevoerd. China is daardoor een land dat een enorme economische groei doormaakt (zie verder bij Economie). Vele Chinezen – vooral die in de stedelijke gebieden – profiteren van deze groei en dat zal er toe hebben bijgedragen dat het verzet tegen de communistische machthebbers afnam.

Toch heeft China grote moeite met het buiten de deur houden van kritiek. Nieuwe communicatietechnologieën als internet bieden kritische Chinezen de kans hun ideeën te verspreiden. Dat is niet zonder gevaar; veel critici zijn al achter de tralies beland. Hoewel het land in economische zin steeds kapitalistischer wordt, blijven de machthebbers strenge controle uitoefenen op het volk.

Terug naar het reisverslag