Akko

Akko is een oude havenplaats in het noorden van Israël, gelegen aan de Middellandse Zee. Ten zuiden van de stad bevindt zich een vissershaven, aan de Baai van Akko. De stad ligt 23 kilometer ten noorden van Haifa. Akko heeft een karakteristieke middeleeuwse en oosterse uitstraling, met veel oude gebouwen en muren. In de Hellenistische en de Romeinse tijd droeg de stad de naam Ptolemaïs. De oude stad is nu een van de steden in Israël met een overwegend Arabische bevolking.

In 1945 had de stad 12.360 inwoners van wie er 50 Joods waren. Tijdens de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 vluchtte het overgrote deel naar de oostelijk gelegen heuvels en naar Libanon.

Geschiedenis


Al in de Kanaänitische tijd woonden er mensen in Akko, het gelijknamige district dat zich uitstrekt tot 2 km ten oosten van de huidige stad. Later vestigden er zich Feniciërs, die nog weer later door Assurbanipal werden gedeporteerd. Vanaf 1973 worden hier archeologische opgravingen gedaan.

Griekse en Romeinse tijd
Griekse historici noemen de stad "Ake" wat "genezing" betekent. Volgens Griekse mythen zou Hercules hier kruiden gevonden hebben waarmee hij zijn wonden kon laten genezen. Flavius Josephus noemde de stad Acre. Vlak na de verovering van Alexander de Grote werd de naam gewijzigd in Antiochia Ptolemais. Daarna werd de stad Ptolemais genoemd, waarschijnlijk naar Ptolemaeus I Soter de opvolger van Alexander, die na de dood van Alexander bij de verdeling van het rijk de (provincie) Egypte kreeg.

In 165 v.Chr. versloeg Simon Makkabeüs de Syrische troepen in Galilea en verdreef hen richting Ptolemais. De heerser van Syrië Demetrius II Nicator probeerde Simon om te kopen en er zo voor te zorgen dat hij hem steunde in de strijd tegen zijn rivalen voor de troon, onder meer Alexander Balas. Uiteindelijk kregen de Makkabeëen de stad in handen, zonder zich aan een van de partijen te binden. Dit gebeurde door Alexander Janneüs.

Koning Herodes I bouwde hier een gymnasium en ook de Romeinen bouwden de stad verder uit. Na de definitieve verdeling van het Romeinse rijk in 395 na Chr. viel Akko toe aan het Oost-Romeinse, later Byzantijnse Rijk.

Kruisvaarderstijd
In de Byzantijnse tijd floreerde de stad. Nadat het leger van de Byzantijnse keizer Heraclius tijdens de slag bij de Jarmuk was verslagen door het Islamitische leger van Khalid ibn Walid, en Jeruzalem was veroverd door de legers van kalief Omar, viel Akko in handen van het Rashidum-kalifaat. Later ging ze over in handen van de Omajjaden en de Abbasiden totdat ze werd veroverd door koning Boudewijn I van Jeruzalem in 1104, na de 1ste Kruistocht. Akko werd toen de belangrijkste havenstad van het Heilige Land.

In 1187 werd de stad veroverd door de moslimleider Saladin en in 1189 probeerde koning Guy van Lusignan, koning van Jeruzalem, de stad te heroveren. De belegering was nog bezig toen de troepen van de 3de Kruistocht het land bereikten en het was uiteindelijk Richard Leeuwenhart die de stad in 1191 na het beleg van Akko wist in te nemen. Het garnizoen (nagenoeg 3000 man) had zich na onderhandelingen overgegeven maar werd een maand later, toen Richard verder wilde trekken, alsnog afgemaakt.

Omdat de stad Jeruzalem in handen van de moslims was en niet heroverd kon worden, werd Akko hoofdstad van het koninkrijk Jeruzalem onder de naam Saint Jean d'Acre. De kruisvaarders lieten veel bouwwerken na en versterkten de stad. De hospitaalridders bouwden hun ziekenhuis en hadden er hun hoofdkwartier. De stad werd het laatste bolwerk van de kruisvaarders en viel pas na een bloederige belegering in 1291 in de handen van de Mammeluken, die over Egypte heersten. De stad werd verwoest en verlaten. Om te voorkomen dat ze opnieuw door de kruisvaarders gebruikt zou worden, werden de overgebleven gebouwen opgevuld en overdekt met aarde. De meeste overblijfselen uit deze tijd zitten thans dan ook ondergronds.

Ottomaanse tijd
De Ottomaanse sultan Selim I veroverde de stad in 1517 en liet haar daarna verder vervallen. In 1697 stonden er alleen nog een karavanserai, een moskee en enkele boerderijen in dit gebied. Tegen het eind van de 18de eeuw viel het gebied onder Dhaher al-Omar, een plaatselijke sheik. Zijn opvolger (en moordenaar) Jezzar Pasha (bijgenaamd Al-Jazzar, de slager) besloot het gebied weer op te bouwen en te versterken. De stad werd in deze tijd Acre genoemd.

In 1799 belegerde Napoleon Bonaparte de stad als onderdeel van zijn expeditie naar Egypte. Hij was opgetrokken vanuit Egypte na de slag bij Aboekir en wilde naar het noorden om zo terug te kunnen naar Frankrijk en de Ottomanen te verslaan. Na een belegering van 2 maanden, waarbij de Turken geholpen werden door een eskader van de Engelse vloot onder leiding van Sir Sidney Smith, moest Napoleon de terugtocht blazen.

Jezzar werd na zijn dood opgevolgd door zijn zoon Suleiman. Hij voerde een milder regiem dan zijn vader, waardoor de welvaart toenam. In 1831 werd hij afgezet door Ibrahim Pasha na een belegering van de stad. Uiteindelijk kwam de stad weer rechtstreeks onder Turks bestuur.

Brits Mandaat
Na de Eerste Wereldoorlog werd door de Volkenbond aan het Verenigd Koninkrijk het Mandaatgebied Palestina toegewezen. De stad was toen het hoofdkwartier van het Britse leger en de citadel werd de belangrijkste gevangenis van het land. Vele politieke gevangenen, vooral Joodse activisten en ondergrondse strijders van de Irgun werden hier gevangengezet.

Na de oprichting van de staat Israël
In het Verdelingsplan voor het Mandaatgebied Palestina, Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties van 1947 zou Acre in het Arabische deel komen te liggen. Dit plan werd door de Arabische landen verworpen, omdat zij Palestina als een geheel voor twee volken wilden behouden. De Joden riepen echter op 14 mei 1948, vlak voor de afloop van het mandaat, eenzijdig de onafhankelijke staat Israël uit. Op 17 mei 1948 werd de stad door de Israëlische troepen veroverd in de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948. Deze kregen de stad, overbevolkt ten gevolge van een instroom van vluchtelingen/verdrevenen uit Haifa, in handen nadat deze dagenlang beschoten was, maar vooral omdat er een tyfusepidemie was uitgebroken onder de bevolking (en onder Engelse soldaten) die 10tallen slachtoffers maakte. In het water dat via een aquaduct naar de stad gevoerd werd, bleken tyfusbacillen te zitten. Het Rode Kruis wees op een daad van besmetting van buiten de stad. De inwoners gaven zich over en vertrokken; huizen werden systematisch geplunderd door het leger.

De stad, zoals ze er vandaag uitziet, is grotendeels tijdens het Ottomaanse Rijk opgebouwd en voor een deel in de 17de eeuw door Druzen. Vele muren werden neergezet op de plaats van de ruïnes van de bouwwerken van de kruisvaarders. Sommige resten zijn echter nog zichtbaar.

Ridderzaal
Onder de citadel en gevangenis van Akko hebben archeologische opgravingen een deel van de oudere stad van de kruisvaarders blootgelegd. Het betreft een complex van hallen, waarvan de Ridderzaal de grootste is. Dit complex werd gebouwd en gebruikt door de Orde van Hospitaalridders. De Ridderzaal wordt gedomineerd door drie dikke zuilen die de kruisgewelven ondersteunen. De opgravingen gaan nog steeds door. Daardoor kan Akko op toeristische belangstelling rekenen.

Bezienswaardigheden



Achmed Al-Djazzar-moskee
Citadel
Kruisvaardersburcht
El Djazzarmuur
Khan al-Farandj
Stedelijk museum
Soek (Arabische markt)
Strand
Haven
v Karavanserai

Terug naar het reisverslag